De vier paradoxen van Pniël
Radiopreek gehouden 8 November 1953 in de Jeruzalemkerk 's-Gravenhage-West, Pomonaplein 49 door dominee L.S. den Boer
Orde van de dienst
Votum en zegen.
Psalm 138 : 2, 4.
Wet des Heeren.
Schriftlezing Hosea 12 : 1-7.
Gebed.
Psalm 42: 3,4,5.
Lezing van de tekst: Genesis 32: 24-31.
Prediking over: De vier paradoxen van Pniël.
Psalm 68: 16, 17.
Dankgebed.
Psalm 89 : 8.
Zegen.
Bij de tweede druk.
De loop der gebeurtenissen is in Gods hand. Zo stierf tien minuten vóór de aanvang van deze
radiodienst mijn lief dochtertje. Ik deelde het aan mijn gemeente mee en duizenden in Nederland en daarbuiten hebben toen meegezongen "Gelijk een duif door het zilverwit”. Psalm 68:7. Door deze omstandigheden heeft de trouwe Verbonds-God deze preek Zelf geäccentueerd. Hij stelle de lezing verder tot rijke zegen.
4 december 1953. L.S. den Boer.
De vier paradoxen van Pniël.
Ik bedien u het Woord Gods, zoals we dit lezen in Genesis 32, de verzen 24 tot 31.
24 Doch Jakob bleef alleen over; en een man worstelde met hem, tot dat de dageraad opging.
25 En toen Hij zag, dat Hij hem niet overmocht, roerde Hij het gewricht zijner heup aan, zodat het gewricht van Jakobs heup verwrongen werd, als Hij met hem worstelde.
26 En Hij zeide: Laat Mij gaan, want de dageraad is opgegaan. Maar hij zeide: Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent.
27 En Hij zeide tot hem: Hoe is uw naam? En hij zeide: Jakob.
28 Toen zeide Hij: Uw naam zal voortaan niet Jakob heten, maar Israël; want gij hebt u vorstelijk gedragen met God en met de mensen, en hebt overmocht.
29 En Jakob vraagde, en zeide: Geef toch Uw naam te kennen. En Hij zeide: Waarom is het, dat gij naar Mijn naam vraagt? En Hij zegende hem aldaar.
30 En Jakob noemde den naam dier plaats Pniël: Want, zeide hij, ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijn ziel is gered geweest.
31 En de zon rees hem op, als hij door Pniël gegaan was; en hij was hinkende aan zijn heup.
Gemeente des Heeren,
Eén der nazaten van de man, die heden onze aandacht vraagt, heeft eens het merkwaardige woord gesproken: "Daarom heb ik een welgevallen in zwakheden. ....want als ik zwak ben, dan ben ik machtig", Deze wonderspreuk, deze paradox, is alleen door het geloof te verstaan, en dan wel door het geoefend geloof. Paulus heeft dit woord niet gesproken, direct na zijn Godsontmoeting op de Damascusweg, maar veel later. Toen God hem die doorn in zijn vlees had gegeven, na.al zijn rijke Godservaringen.
Daaruit is bij hem strijd, gebed en nood geboren. Hij heeft met God geworsteld. Uit die worsteling is deze wonderspreuk geboren: Roemen rn zwakheden.
En die roem biedt machtige perspectieven. Hoe kleiner wij voor God worden, hoe groter en rijker God voor ons wordt. Hoe veelzijdiger Gods genade wordt. Daartoe moeten wij alle vermeende rechten verliezen, We moeten in de juiste en rechte verhouding voor God komen.
Daartoe voert God al Zijn kinderen in de nacht, Als de Heere öns dieper inleiden wil, in Zijn mateloze ontferming, dan zullen we eerst alle rechtsgrond in onszelf moeten verliezen. En omdat we met hand en tand daar tegen zijn, daarom voert God Zijn kind, wien Hij het tóch leren wil, in de nacht.
Dát leert ons de tekst van heden, die handelt over de Pniëlsnacht van Jacob.
Drie bijzondere nachten zijn er in het leven van Jacob: de Bethelsnacht, de nacht van EI-Bethel te Paddan-Aram en de Pniëlsnacht.
De laatste levert een der diepste bladzijden van de Bijbel. Geheimenisvol Voor het geloofsleven van elk kind van God.
Wie met het recht en het gericht Gods niet te doen kreeg en er klaar mee is gekomen, blijft in het duister. Die blijft met het probleem zitten van de schuldvergeving. Onopgeloste toorn en straf van God laat voor zijn geloofsoog de zonden nog open staan.
Zo gaat menigeen zuchtend en bekommerd over de aarde. Om tot bewuste rechtvaardiging te komen in Gods gericht en in de vierschaar van de consciëntie, moeten wij er helemaal áán. De laatste krachts-inspanning van de oude mens om eigen verzoeningsmiddelen te laten gelden, moet gebroken worden.
Uitgewerkt, verslagen, geen grond meer om op te staan, hulpeloos en machteloos gemaakt, kan God het wonder aan de mens kwijt, dat Hij zondaren rechtvaardigt. Dat Hij verlorenen behouden noemt. Dat Hij krachtelozen overwinnaars maakt. Zwakken machtig. Doemschuldigen hemelburgers.
Dat zijn Goddelijke paradoxen. Het verstandelijk begrijpen is hier uitgesloten. Gods logica maakt de onze tot dwaasheid. Gods dwaasheid wordt de ware wijsheid.
lk wil met u Vier Paradoxen van Pniël lezen, in de hoop dat het bevrijdend moge werken in harten van gebondenen!De eerste paradox luidt:
"God almachtig en toch onmachtig.
Jacob krachteloos en toch overwinnaar.
ln de Bethelsnacht heeft God aan Jacob getoond, dat er een open hemeldeur was en een Ladder neergelaten. Vele beloften zijn hem gedaan. De bedrieger Jacob is sindsdien, ondanks al het leed te Paddan-Aram, op onbegrijpelijke wijze altijd beschut en gezegend. Ook is hem het beloofde land Kanaän toegezegd. Dáár zal hij eenmaal wederkomen.
In de El-Bethelsnacht stelde God Zich opnieuw garant voor al Zijn beloften. Nooit is er feil in God gevonden. Wat uit Zijn lippen ging blijft vast en onverbroken.
Maar alle schuld blijft bestaan, zolang God die niet afdoende heeft weggenomen. En hoe dichter Jacob nu bij het beloofde land komt, hoe meer ook die schuld zal gaan spreken. God smokkelt Zijn volk niet binnen! Onder deze spanning staan de hoofdstukken 32 en 33 van Genesis. Ik hoop, dat ook gij iets kent van diezelfde spanning waardoor ge goed te weten kunt komen, waar uw persoonlijke zonden eigenlijk gebleven zijn.
Eigenaardig is hier, dat Jacob in grote nood komt. Hij geraakt in een doodlopend slop, maar ziet dan meer zijn nood dan zijn schuld.
Maar God is bezig, om hem te leren dat het probleem van zijn schuld achter zijn nood staat. De doodsnood van zijn schuld is groter dan zijn nood. Van de menselijke tegenstander Ezau zal-bij gevoerd worden naar zijn eigenlijke Tegenstander: God. Zijn nood wordt gevormd door zijn wreker Ezau, maar zijn open schuld voert hem tot zijn Godde]ijke Rechter.
Velen van hen, die mij thans horen, hebben hun eigen nood. Mogelijk ontzaglijke nood. Ik weet niet, wat er nu bij u zwaarder weegt, uw schuld of uw nood. God bekommert Zich meer om uw schuld en als gij dit duidelijk te zien krijgt, zullen er wonderen gaan gebeuren. Dan zal God uw tranen drogen en volkomen vrijheid schenken.
Gods goedheid en genade had een lange brief geschreven, waarin hemelschatten aan Jacob zijn toegezegd. God is Zichzelf in al die beloften trouw gebleven. Maar Jacob moest. in de nood komen, om die brief te leren lezen, heel nadrukkelijk, als voor hem bestemd, zodat hij er klein onder werd. En zo moeten we allemaal in een speciale nood komen, om Gods speciale brief aan ons gericht te leren spellen! Anders ligt die daar maar. Vandaar dat ziekbed, dat leed en dat doodlopend slop, waarin gij u bevindt. Ik hoop, dat ge de brief, die naast u ligt, zult zien en zult leren lezen.
Sedert de hemel voor Jacob opengevallen was, zijn de weldaden Gods een leesbare brief geweest. Maar nu, in zijn grote nood aan de Jabbok, in het slop, waaruit hij niet meer vluchten kan, nú stort hij zijn gebed uit in dank aan God.
Dank maakt een gebed gelovig.
Het is dan ook een waarachtig gebed dat hij opzendt en hij is er ook klein onder gemaakt: Geringer is hij, dan alle weldaden en trouw aan hem bewezen. Maar het is toch nog geen gebed van een boeteling. Het lijkt nog meer op dat van een handelsman. Hij zendt zijn eigen verzoeningsgeschenken in vijf afdelingen, heel kunstig berekend, naar Ezau, om diens "aangezicht te bedekken" staat er. Misschien zal hij mij bij de kin vatten en mijn aangezicht aanzien en aannemen.
Over het verzoende aangezicht van God bekommert hij zich niet veel. Zijn geschenken zijn maar "erzats" voor de gestolen zegen en bedoelen verzoening voor zijn bedrog.
Och, voor mensen, die op hun eigen verzoening aangewezen zijn, komt geen eind aan hun verzoeningsmiddelen. Van een "eenmalige" verzoening is dan geen sprake. En zo sluit dan ook dit hoofdstuk in Jacobs leven dubbel diep in de nacht: Hij is in de nacht en de nacht is in hem....
“Jacob bleef alleen over die nacht'. Och, de meest critieke momenten in ons leven moeten we alléén doormaken. De nacht van onze nood, de nacht van het leed en het lijden en straks de nacht van onze dood. En als het dan ook nacht van binnen is, 0, hoe moet het dan toch? Als we dan oog in oog onze Rechter ontmoeten! Dan baten geen verzoeningsgeschenken.
Afgesneden, donker, alleen, stil en eenzaam staat Jacob daar in die nacht aan de Jabbok. Ook zijn gebed heeft hem de ware rust niet kunnen schenken. Meer dan ooit heeft hij nu troost nodig in zijn grote nood. Inplaats daarvan treedt echter een Man op hem af, die een geduchte Tegenstander blijkt te zijn. Het is God Zelf, Die komt afrekenen met Jacob.
De worsteling wordt hevig. Zij vlechten zich aan elkander zoals worstelaars plegen te doen. Het is hier geen visioen, maar een werkelijke strijd, zoals alle ervaringen van Gods kinderen werkelijkheden zijn, zowel hun doorleefde nood als hun geschonken blijdschap.
Als God onze Tegenstander wordt, dan wordt de nood wel heel diep. Er kunnen tijden zijn in het leven van de christen, dat het duidelijk wordt, dat God tegen ons strijdt. Dat alles bij de handen afgebroken wordt. Zegt Job er niet van: "Hij knarst met de tanden over mij; ik had rust, maar God heeft mij verbroken en me bij de nek gegrepen en verpletterd. Hjj is tegen mij aangelopen als een Geweldenaar"?
Dan is het net, alsof iedereen nog een God heeft, die hoort, maar ik niet meer. God onze Tegenstander, Die het in mjjn doodsnood op mijn leven gemunt heeft.
Weet u wat hier nu zo'n paradox, zo'n onoplosbaar raadsel wordt? Dat de Almachtige God ziet en zegt, dat Hij Jacob niet overmocht. Dat de Almachtige hier machteloos is.
Hoe dit dan kan? Hoe dit dan mogelijk is? Is de heilige God dan machtelozer in de worsteling dan de schuldige Jacob, de bedrieger?
Dat komt hiervan, dat God Zich hier vertegenwoordigt als Immanuël, de God met ons. Hij raakt maar even Jacobs heup aan en dan is hij levenslang vermjnkt. In één oogwenk zou God Jacob verteerd hebben. Maar God komt hier in Christus en Die zal straks alleen jn de nacht zijn van Gethsemané en Golgotha. Hij zal gebonden worden om Jacob te ontbinden. Hij zal schuldig verklaard worden om Jacob onschuldig te noemen. God heeft hier Zijn handen gebonden met de koorden van Zijn eeuwige liefde en daarin is Hij machteloos om Jacob te doden. Jacob worstelt met een God, Uie in Christus doorboorde handen heeft en alleen maar verlossing kan schenken. Het gericht is hier een liefde-gericht, waarbij Gods recht in Christus tot zijn eer komt.
Uit deze Borgstelling alleen is het ook te verklaren, dat Jacob, de krachteloos gemaakte, hier toch overwinnaar wordt. Als God zijn heup aanraakt, is die verwrongen. Daardoor is Jacob geheel buiten gevecht gesteld, wat eigen krachten en vermogen aangaat.
En toch houdt hij zijn Tegenstander vast. Hij moet vasthouden of vallen, aanhouden of gedood worden. Omarmd door dood en gericht, vanwege de heiligheid Gods, houdt hij toch vast en zegt: "Ik laat U niet gaan!"
Wat geeft Jacob toch die kracht?
Die geheime kracht schuilt in de zelfopenbaring Gods als lmmanuël. De Tegenstander is niet meer de Verborgene, maar de Geopenbaarde. Hij ziet zich wel omklemd door heiligheid en gericht, maar ook door de Vaderarmen Gods. En des Vaders gang is altijd in het donker. De Vader laat het altijd op het dode punt komen. Zijn pad is in de wateren en Zijn weg in de zee en Zijn voetstappen worden niet bekend. Juist in die verborgenheid van het donker, ontdekt Jacob door de zelfopenbaring Gods, dat het God is, Die met hem strijdt.
Wanneer wij in onze nood leren zien, dat het God is, Die ons tegenkomt, dan gaan er wijde perspectieven open. De Vader komt dan wel in gericht, maar het is liefde, die in Christus volkomien opgeluisterd wordt. God kan machteloos worden tegenover een bedrieger, een schuldige, en toch ten volle Zijn deugden handhaven!
En zo kan Jacob, die geheel buiten gevecht is gesteld, die neerzinken moet, omdat hij op eigen benen niet meer staan kan, toch overwinnaar worden, omdat hij zich geheel en al vervlecht met Immanuël. Hosea zegt, dat hij "weende en Hem smeekte en zich vorstelijk gedroeg". De nood om Ezau werd nu doodsnood om zijn schuld. Maar tevens ziet Jacob, die nu niets meer te verliezen heeft, dat God wél kan verliezen! God kan Zijn Naam erbij verliezen, als Jacob hier gedood wordt! Heeft Hij 20 jaar geleden niet beloofd: "Ik ben met u"? En zo komt de Pniëlsnacht onder een open hemel te staan. In Bethel is de hemel opengegaan voor Jacob. En wie in zijn nacht God erin ontmoeten mag, die kent wel zijn nood, zijn tranen en zijn smeking (dat wordt wel heel duidelijk bij Jacob, zoals Hosea aanvult) maar die ziet zijn nacht vanuit het licht der beloften Gods. Eenmaal heeft Christus de hemel opengeworsteld, toen Hij op Golgotha Zijn gebeden opzond, maar die hemel gesloten vond. "Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?"En het antwoord is: "Opdat Jacob en ' zijn zaad hun doodsnacht onder open hemel zouden doorworstelen"!
Dàt is de geheime kracht voor het aanhouden: "Ik laat U niet gaan, tenzij Gij mij zegent". Wie geen grond meer heeft, om op te staan, omdat we hulpeloos en krachteloos zijn geworden, die kan niet anders meer. "Omdat G' o God mij altoos redt, ai, luister dan naar mijn gebed en neig Uw oren tot mijn klachten".
De krachteloze heeft hier meer dan hemelkracht en de Almachtige is hier machteloos. God vraagt aan Jacob: "Laat Mij gaan, want de dageraad is opgegaan". De Gebieder over alle werelden vraagt hier om heen te mogen gaan. Wat is de zin van deze vraag?
God hult Zich, zeiden we, in wolken en donkerheid. Dat behoort bij God de Vader. Het geloof ziet Hem juist in die donkerheid, en zo kan Hij toch niet verborgen blijven en des te meer aangebeden worden. Daarom wil God het licht van de dageraad niet over deze omhulling laten gaan. Hij zal de Verborgene blijven, Die steeds paradoxaal Zich zal openbaren vanuit het duister. Eens zal de vólle dageraad opgaan, als de strijd op het wereldtoneel ten einde is.
II. De tweede paradox van Pniël luidt:
"Jacob en tóch Israel".
Is Jacob daarmee aan het einde van zijn worsteling, nu hij God vasthoudt? Schijnbaar wel, want hij heeft geen benen meer, om op te staan. Hij moét wel vasthouden, of neervallen. God is voor hem met recht "der hulpelozen Hulp".
Toch zal hij nog van zijn laatste hoogte moeten afvallen. Een mens is niet zo gauw van zijn troon! De laatste vezels waarmee we onszelf willen vasthouden, moeten afgesneden worden. We krijgen het met een heilig en een rechtvaardig God te doen. De Heere vraagt aan Jacob: "Hoe is uw naam?"
Komt dan en laat ons samen richten....
In de naam lag bij de Ouden het wezen uitgedrukt. In het vragen naar zijn naam, komt voor Jacob de laatste, meest angstvolle afsnijding in deze kamp met God. Deze strijder is n.l. een bedrieger, een huichelaar, iemand die zich anders voordoet, dan hij is. Wanneer wij persoonlijk geconfronteerd worden met een heilig en rechtvaardig God, dan worden we geheel en al bloot gelegd. God schouwt tot in de diepste diepten van ons peilloos boze hart. Als God naar onze naam. vraagt in het gericht, dan komt de zonde openbaar in het licht en de glans van Gods heiligheid.
Ik weet niet hoe gij uw zonden draagt. Hoe ge over uw zonden tegenover God denkt. Of ge die met een rustig hart draagt, of met een gebroken ziel. Maar als ge niet rustig zijt onder uw zondeschuld; als de zonden u zijn tot brandende schaamte en steigerende onrust, dan is 't de meest logische zaak ter wereld, dat ge niets anders vermoeden kunt, of God zal u verteren, als Hij als Worstelaar tegen u optreedt. .
Ge kunt vrede krijgen en verzoening, maar in deze weg, dat gij komt om te richten, dat gij uw naam noemt voor God.Dan zal zonde zonde worden. Dan is zij werkelijkheid voor u, zielsziekte, rechtsschennis, Godsont-ering, helse haat - van uw zijde beschouwd ongeneeslijk, onvergeeflijk, de verdoemenis afdwingend van boven. Door geen tranen en aalmoezen te verzoenen. Voor Gods toorn zjjt ge dan zelfs in dit bedehuis niet veilig. Er is vrede en verzoening. Maar als ge deze ene voorwaarde maar aanvaardt: Uw naam noemen, capituleren voor God. Ik verfoei mij en heb berouw in stof en as, want mijn overtredingen heb ik steeds voor mij.
In dit dodelijk tijdsgewricht kan Jacob niet éne voorwaarde meer laten gelden.
Het noemen van onze naam houdt vanzelf ons doodvonnis in. Geen grond meer om op eigen benen te kunnen staan; naar onze naam gevraagd en nu als leugenaar voor God bekend staan, wie kan nu anders verwachten, dan hier in dit gericht gedood te worden?
En toch, -grootste paradox, die ooit genoemd kan worden, -God zegt in dit Pniëlsgericht, in deze doodsnacht van Jacob: "Uw naam zal voortaan niet Jacob heten, maar Israël, want gij hebt u vorstelijk gedragen met God...."
0, als de arme, getuchtigde, in dwaasheid en zonde vervuilde wereld dàt doen wilde, kòmen in het gericht. ...dan zou er zijn de vrede, die alle verstand te boven gaat; Al waren uwe zonden als scharlaken, zij zullen wit worden .als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol. Rood is een sprekende kleur. Rood is een schreeuwende kleur. Uw zonden spreken en schreeuwen tegen God en Zijn Gezalfde om wraak. Wie kan het purper van uw ziel blank wassen? Wie kan hetgeen vuurrood is wit maken? God! Dat kan God. Al waren uw zonden als scharlaken, - en dat zijn ze! - zij zullen wit worden als.... ja wat is zinnebeeld van de hoogste reinheid? ... dat zijn de blanke vlokken, die uit Gods wolken dalen en de aarde kleden in het hermelijn van kristal, dat is sneeuw, die in de zonneglans zo kan schitteren, dat de mens er zijn ogen voor bedekken moet.
Uw naam zal niet Jacob zijn, maar Israël. In werkelijkheid zijt ge Jacob, maar innerlijk zijt ge niet minder Israël: Op goddelijke rechtsgrond zijt gij daarmee opgenomen in de "legerscharen des Heeren".
Schoon kreupel geslagen, ontmaskerd, onttroond, op genade en ongenade in het gericht overgegeven, tòch zijt gij in Gods oog: Israël, Overwinnaar. Er zijn geen woorden voor te vinden, om deze paradox uit te drukken. Het is niet te zeggen, hoe genadig God is. Zoals er geen woorden te vinden zijn voor de grootheid uwer zonden, evenmin voor de ruimte en de macht der vergevende liefde Gods.
De catechismus drukt het aldus uit, dat het is of de gerechtvaardigde zondaar nooit zonde gehad noch gedaan heeft, ja of hijzelf alle gehoorzaamheid heeft volbracht, die Christus voor hem verworven heeft.
De grond voor deze paradox, - Jacob, toch Israël, - ligt vanzelf weer alleen in de Zich hier openbarende Immanuël. Hij is de Grote Held van Golgotha, Die tot zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem. Gelijk het de mens gezet is éénmaal te sterven, alzo wordt er ook van Christus maar éénmaal geëist te sterven. En Hij is gestorven eens en voor goed en afdoende.
Jacobs vele verzoeningen om Ezau's aangezicht te bedekken, moeten gestadig voortgaan. Maar de ene verzoening van Golgotha is voldoende om Jacob Israël te noemen.
Door toerekening zijn we verdoemd geworden. Alleen door toerekening worden we gezaligd en krijgen we de nieuwe naam, die uitdrukt, hoe God ons ziet. In Gods oog is die kreupele, onttroonde, lamgeslagen bedrieger Jacob een overwinnaar Gods.
Dat is gadeloze ontferming. God kan de zonde alleen maar vergeven. Wegdoen als een nevel. "Ik zal niet meer op u toornen noch u schelden". Helemaal Jacob. Verloren. Doodsschuldig. Helemaal Israël tegelijk, in Immanuël, Jezus Christus!
Ik moet hier wel nodigen tot dit gericht Gods te willen komen. Hoe is uw naam, o zondaar die heden deze uitnodiging hoort? Er is geen algemene verzoening, maar wel een algemene nodiging, en ik sluit niemand uit, ik màg niemand uitsluiten, als ik zeg: Komt! Er is geen verontschuldiging. Ge zijt niet te goed, en evenmin te slecht om naar dit evangelie te horen. Uw boosheid heeft wel een maat, maar Gods barmhartigheid niet. Al waren uw zonden rood als karmozijn, al waart ge dieper gezonken dan het stomme beest, toch is het: Komt dan....
Al behoort ge tot de verdervende kinderen, dat is, al hebt ge uw geweten bezoedeld door anderen een oorzaak tot zonde, misschien tot val te zijn geworden, in plaats van hen door uw wandel te stichten en voor Christus te winnen, toch is het: Komt dan! Al is Gods naam om uwentwil gelasterd, al was uw godsdienst tot nu toe geveinsdheid, al hebt ge Gods roepstemmen verwaarloosd: Komt! Er zijn geen hopeloze gevallen voor de almacht en de vergevende liefde Gods, die van Jacob een Israël maakt.
Wie van verre reeds kenbaar is in dit gericht vanwege de bloedrode kleur der bloedschuld zijner ziel: Komt! De zonden zijn in werkelijkheid groter, dan gij vermoedt, maar vergist u niet in God en de beschouwing Zijner liefde. Alleen maar.... Komt ten gerichte! De Rechter speelt niet met de misdadiger. Gods gericht zal u niet verdoemen, maar gij moet uzelf verdoemen. Hoe is uw naam?
Jezus is onschuldig in het gericht veroordeeld en nu moet het gericht van Golgotha aan uw ziel worden toegepast. Daarom vraagt God naar uw naam. Dat wordt uw gericht. Maar dan ook uw volkomen overwinning.
Jacob, en toch Israël. Dat is ook de blijvende paradox voor het verdere leven in heiligmaking. Al is het dat ik nog tot alle boosheid geneigd ben en dat mijn consciëntie mij aanklaagt, nochtans, om de gerechtigheid van Christus' wille zijn mijn zonden vergeven.... Ik ellendig mens, die vleselijk, verkocht onder de zonde ben, ik dank nochtans God door Jezus Christus onze Heere. Al ben ik ten volle Jacob, tòch ben ik ook geheel Israël, omdat God mij zo noemt en ook Israël de boventoon voert in mijn leven der dankbaarheid en heiligmaking. Ingelijfd in Christus, brengen we ook "Israëlvruchten" voort.
De tweeheid "Jacob-lsraël" zal hier blijven op aarde en "Jacob" zal zich niet van lieverlede oplossen in "Israël" zoals de kleuren van de regenboog in elkaar overgaan, 0 neen. Steeds pikanter zal Jacob gaan staan tegenover Israël in één persoon. Toch zijn we in Christus overwinnaar. Er komt zelfs iets vorstelijks over Jacob. Gij hebt u vorstelijk gedragen met God en zult dat vorstelijke nu ook laten gelden bij mensen! Dat vorstelijke is niet uit Jacob. Dat is uit Christus. De glans der vergeving, de adel der hemelse geboorte, de zegevierende kracht temidden van inwonende zonde, is van goddelijke oorsprong.
Ofschoon diep gevallen, toch opgenomen onder de legerscharen Gods. De zondaar een plaats onder de serafs, wier gedaante is als een bliksem!
Deze paradox kan, omdat God, God is!
III
De derde paradox luidt:
Niet Gods Naam weten, - wel Gods aangezicht zien.
Al is Jacob Israël, toch laat altijd "Jacob" zich gelden. We willen altijd wat worden, zelfs met de genade. We zouden die nog gaan exploiteren voor onszelf.
Jacob vraagt aan God: ."Hoe is Uw naam?" En het antwoord Gods luidt: "Wat is het dat gij naar Mijn naam vraagt?" Natuurlijk zou Jacob hier kunnen zeggen: "Omdat al wat aan U is gans begeerlijk is. Omdat ik veel meer van U weten wil "
Maar alleen diepe eerbied en vreze past ons bij de heilige God. We mogen in de geheimenissen Gods niet indringen. Het "als God willen zijn" zit er zo diep bij ons in. Wie alles in Pniël verloren heeft, daar een nieuwe naam heeft bekomen en als overwinnaar uit het strijdperk mocht treden, past alleen maar om nederig te knielen en verder Gods zegen te willen ontvangen.
God is ook voor Jacob de: "Ik zal zijn die Ik zijn zal". Dat zat hij straks wel ervaren. Dan zal Gods Naam voor hem Wonderlijk zijn. Hij zal nooit God na kunnen rekenen. Als de weg zal gaan over Sichem, waar Simeon en Levi bloedtonelen aanrichten, dan zal hij Gods Naam niet weten, maar Gods zegen des te meer nodig hebben. Als straks Rachel sterft, zijn beminde, als Jozef hem wordt ontrukt, als Simeon en zijn Benjamin hem zullen worden ontnomen dan zal hij nog wel eens vragen: "Hoe is Uw naam? Ik begrijp Uw doen en laten niet. Moet het er nu zó door? Al deze dingen zijn tegen mij!"
Neen, God maakt Zijn Naam niet aan ons bekend. Hij wandelt in de donkerheid. maar is Zelf in het licht. Zijn Naam, Zijn Wezen dus, blijft verborgen door heel de historie. Zelfs als Hij Zijn eniggeboren Zoon in de wereld inbrengt zullen de kinderen van Jacob, Maria en Jozef, ook Gods Naam niet weten en zeggen: 0 God, is er nu voor iedereen plaats in Bethlehem, alleen voor ons niet? ... Gods Naam is nog steeds wonderlijk. Maar Gods zegen! Die is onontbeerlijk.
Daarom staat er: "Wat is het dat gij naar Mijn naam vraagt! En Hij zegende hem aldaar".
Ziet het daar gebeuren. Een ontkrachte, kreupele, ontwrichte en onttroonde Jacob, neerknielend onder de zegenende handen des Heeren, Eens knielde hij zo neer onder de zegenende handen van zijn vader Izak. Dat ",as toen een gestólen zegen. Al wat we stelen, móêten we in benauwdheid terug geven, Nu krijgt hij de wèrkelijke zegen. Op reis naar Kanaän moeten we al het geroofde weergeven, opdat we met een gelegitimeerde zegen kunnen binnengaan.
En waarin zal die zegen zich nu openbaren voor Jacob? Dat zegt hij zelf, als hij deze plaats een speciale naam geeft. "En hij noemde de naam dier plaats Pniël, want ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht en mijn ziel is gered geweest".
Deze woorden gunnen ons een blik in hetgeen de Pniëlsnacht voor Jacob is geweest en wàt hij hier heeft doorleefd. Ginds over de Jabbok zijn de verzoeningsmiddelen voor Ezau, om zijn "aangezicht te bedekken", hem te verzoenen om niet gedood te worden. De doodsnood om Ezau werd echter doodsschuld voor God. En nu mocht hij God in het aangezicht zien. God boog Zich tot hem neer en zei: "Zie Mij in het aangezicht; er bestaat niets meer tussen ons. Het is een geheel effen, vlak veld, Gij zijt Mijn kind, geheel zijt gij schoon, Mijn duive, Mijn volmaakte. De Koning is gebonden op de galerijen!"
"En mijn ziel, mijn leven is gered geweest". De dood rechtvaardig verdiend, - het leven mij geschonken. Uw aangezicht, in gunst tot mij gewend, schenkt mij in 't kort verzadiging van vreugde..."
Dàt is de zegen, die Jacob krijgt en zo nodig zal hebben in het verdere van zijn pelgrimage, dat Gods aangezicht met hem meegaat, Al zal dan Gods Naam voor hem steeds meer onbegrijpelijk worden, - de Vader tuchtigt immers een iegelijk zoon, die Hij aanneemt? - dat gunstrijk aangezicht Gods te mogen ervaren is meer, dan God te beredeneren met woorden zonder wetenschap!
0, dat wonder om God altijd in het aangezicht te kunnen zien! Te weten, ook, juist in mijn smartweg: Er ligt niets tussen God en mij. Het is enkel liefde des Vaders, dat ik zo moet lijden... Te weten, dat mijn consciëntie mede oordeelt, dat Gods Geest getuigenis gaf van deze Zijn hartelijke liefde jegens mij, daar ik de eeuwige dood had moeten ingaan.
gaan, Hij voor mij heeft geleden en is gestorven. 0, dat getroost mogen worden, zoals het Avondmaalsgebed zegt: "Als Uw lieve kinderen en erfgenamen".
Dit deed Jan Luijken zingen:
Ach vriendelijk aangezicht des Heeren!
Hebt Gij de ganse creatuur
Gelijk vergeten dezer uur,
Om U alleen tot mij te keren?
Ach vriendelijke levensblik,
Het is mij nu, o mijn Beminde!
Als was er nergens iets te vinden,
Als was er niet dan Gij en ik
Ik ben mijn Liefst en Hij is mijn.
O, bloemkens uit het paradijs,
O, zoete reuk, o schone spijs,
Nooit moet mij Uwe kracht verdwijnen.
Is dit die smalle en steile baan?
o wereld, zaagt gij door mijn ogen,
Gij kwaamt van uwen weg gevlogen.
Ge liet de slijk voor 't goud wel staan!
Nu kan ik aardse vrengde derven,
Nu Gij, o Bron van alle goed,
Zo lieflijk welt In mijn gemoed:
'k Wil honderd doden om U sterven!
Wat ik hier spreek, zal die verstaan,
Die eens hier heeft te gast gegaan.
Niet vragen naar Gods Naam, maar wel Gods aangezicht kennen. Dat aangezicht van God, dat meegaat op de pelgrimstocht naar Kanaän, heeft vrolijkheid en licht voor alle oprechte harten, ten troost verspreid In smarten
Hij zegende hem aldaar! Dan wordt de vrije genade ons levenselement. Het Woord Gods onze levensgrond. Het geloof onze levenskracht en de genaderoem onze levenspsalm.
Laat dan Gods verdere weg voor Jacob zijn in de zee en Zijn pad door diepe wateren. Laten dan Gods voetstappen niet bekend worden.... niet Gods Naam wil ik weten, maar wel Gods aangezicht in blijdschap tot mij gewend zien.
IV.
Tenslotte de vierde paradox.
Wel hinkende, maar in het licht van de zon.
Aan het begin van dit hoofdstuk stond een sterke Jacob, steunend op eigen kracht, maar... in de nacht. Nacht rondom hem en nacht in hem.
Aan het slot staat een gebroken mens, van zijn laatste hoogte gevallen, alle levensvezelen om uit eigen kracht redding te zoeken zijn.hem doorgesneden, zelfs zijn gebed komt niet in aanmerking als enige grond. Een verminkte Jacob, die hinkende zijn leven zal moeten voortzetten, maar.... in .het licht van de zon. "En de zon ging hem op, als hij door Pnu-el gegaan was".
Let hier op de langzaam omgebogen naam Pniël tot Pnu-el.
Pniël vanwege het "Aangezicht Gods", dat in vergeving en gunst hem geschonken was. "Pnu-el" heet die plaats, volgens de bijbelverteller, als de zon hem oprees. D.w.z. "God wendt Zijn aangezicht tot mij".
Niet alleen is er een geheel vlak veld gemaakt in schuldvergiffenis, maar "Ik reis met u mee onder het vriendelijk zonlicht".
Pniël, het "eenmalige" van de rechtvaardiging. Pnu-el, het voortgaande Borgwerk in de hemel op de verdere levensweg! In de weg der heiligmaking, d.w.z. onze practische beleving der rechtvaardiging voor God, zal alleen het licht van Boven moeten komen.
Zie hem daar gaan, die hinkende Jacob, in het licht van de opgaande zon! Voor de kerke Gods is eens en voor goed de Zon opgegaan in de hof van Jozef van Arimathea. Die Zon gaat nooit meer onder.
Maar wij blijven levenslang kreupel, hinkende. Er is tot op de huidige dag nog geen medicijn voor deze kreupelheid gevonden. "Ik heb Mij doen overhouden een ellendig en een arm volk, maar dat op de Naam des Heeren vertrouwt". De zon rees hem op, als hij door Pnu-el was doorgegaan.
Deze laatste paradox vergezelt ons tot aan onze doodssnik. Hinkende gaat Jacob naar zijn sterfbed en verminkt daalt hij in het graf. "Niet dat ik alrede volmaakt ben"! En toch zijn we "volmaakt in Christus". Onze kracht wordt in zwakheid volbracht. Ik heb een vermaak in zwakheden, zegt Paulus!
Wie bij Jezus ter schole mocht gaan, zal het na kunnen zeggen. Want dit arme leven, is toch veel rijker, dan alle gevoelsleven en gemoedelijkheden kunnen meebrengen. Dit arme leven vindt zijn rijkdom nooit meer in zichzelf. Goed uitgestorven en tot as geworden, kunnen de voltreffers van satan en eigen vlees geen voedsel des vuurs meer vinden. Dit hinkende, arme leven behoeft zelf niets meer te bewaren. Dàt was een zeer moeilijk leven, om door ernst of gebed zich "erbij" te willen scharen en de godzaligheid te moeten bewaren. Een "afgetakeld, uitgeschud mens" heeft niets meer te verliezen, maar zijn deposito, zijn schatten, zijn rijkdom liggen geborgen bij de hemelse Thesaurier Jezus Christus!
Een hinkende Jacob zoekt al zijn kracht en hulp alleen bij God, maar reist op Kanaän aan, niet met een gestolen zegen. maar met een goddelijk recht!
De barmhartigheid Gods schonk Christus weg. Het recht Gods brengt de verloste zondaar nu binnen!
In het licht van de zon hinken wij voorwaarts. Wolken en donkerheid zullen menigmaal ons dat licht der zon doen derven. Maar "overwonnen zullen wij overwinnen"!
Wie uit dat voortgaande Borgwerk van Christus mag leven en uit die ambtelijke bediening al zijn kracht mag putten, is overrijk in Hem. Het reinigende Bloed bedekte àl zijn schuld. Het heiligende Bloed vergezelt hem, de kreupele, op al zijn paden. Maar het bewarende Bloed, is eeuwige en zekere waarborg, dat niet Jacob in ons, de oude mens, zal zegevieren, maar Israël. Wie onder die voorbede van de Zon der gerechtigheid mag leven, zoals het Hogepriesterlijk gebed in Johannes 17 ons leert, die is veilig en geborgen, voor tijd en eeuwigheid!
Roemen in zwakheden! Niet klagen, dat is de paradox der ingewijden! Roemen, omdat wij totaal uitgeschakeld zijn en juist daarom er midden in zijn gezet. Niets uit ons en het al uit Hem, zo kom ik in Jeruzalem.
Roemen, omdat Jezus geheel en Jezus alleen de kracht is van onze kracht.
Onze Held, onze Koning is van Isrels God gegeven.
Dàt is een voorsmaak van de hemel. Dáár zullen we alleen God in het Lam prijzen, eeuwig doorwoond met de Heilige Geest.
Voorsmaak, zeide ik. Want God laat Zich proeven en smakén. Dat is geen valse mystiek, maar zuivere beleving van àl Gods kinderen. Zo zeide ook Calvijn het, zo wordt het nog door ieder genoten, die God in Christus mag omhelzen.
De zucht en de ziel van alle religie is: het aangezicht Gods aanschouwen. Dat wordt practicale beleving, hier ten dele. straks volmaakt, maar in wezen hetzelfde.
Door het gericht naar het liefdesgerecht des hemels. Wie dit gericht hier ontlopen wil, zal eeuwig omkomen. En, gelijk de heerlijkheid van het zalig worden niet is uit te spreken, zo kan ook de verschrikkelijkheid van dit omkomen, dit verloren gaan, niet gezegd worden. Er is een verborgenheid der godzaligheid. Er is ook een verborgenheid der ongerechtigheid.
Waar het heil zo groot is en de genade zo onuitsprekelijk ruim, waarom verharden zich dan toch zoveel mensen onder de boodschap des heiIs? Wie vermag de barmhartigheden Gods te peilen?
Weest niet onverschillig, want onverschilligheid is erger dan wanhoop. Waarom zijn dan toch zoveel mensen koud en ongevoelig voor zulke genade? Is het, omdat wij predikers, niet dringend genoeg nodigen? Bidden wij u niet ernstig genoeg van Christus' wege: Laat u met God verzoenen? Zijn onze predikaties te vormelijk, te sierlijk, te koud? Is er reden voor de klacht: de mensen zijn doodgepreekt? Zeker, daar is schuId bij ons. Ook wij dienaren hebben ons te bekeren tot profetische ernst en priesterlijke liefde.
Maar er is ook schuld bij de gemeente. Er zijn er velen onder Gods volk, die krank zijn en slapen.
Waarom luidt gijzelf niet de alarmklok van het oordeel Gods? Komt dan, naar Gods gericht. Als ge het nú niet doet, als ge nú niet hoort, wanneer zult ge dàn horen?
Als ge weigert, zal uw verdoemenis des te zwaarder zijn. Ge zult verloren gaan, niet omdat Gods genade te klein, of Christus' gerechtigheid ongenoegzaam is, maar omdat gij niet wilt. Wij zijn in deze ure rein van uw bloed. Als ge niet komt in het gericht des Woords, zult gij het benauwder hebben dan iemand anders in het eindgericht, want gij hebt het Evangelie verworpen.
Er zal voor u geen ontvlieden zijn, als gij op deze grote genade, die Jacob tot Israël maakt en scharlaken zonden wit maakt, geen acht geeft.
Komt, gij afgekeerde, ingezonken kinderen Gods! Die het gericht kent, komt, opnieuw in het gericht. Laat elke dag van zonde voor u een boetedag zijn. Nieuwe zonden vragen om nieuwe vergeving. Het altijd verse Bloed van Christus wil ook verse zonden wegwassen.
God dwingt ons nooit, ook niet als Hij onze laatste steunsels verbreekt. Alles komt hierop aan, dat wij God niet loslaten. Echter, dit is zo zwaar! God vasthouden, als Hij ons onredelijk schijnt te zijn; als Hij ons verbreekt, aanklaagt, of als ons aanvechtingen neerslaan.
Wij zijn immers van onszelf zo zwak daartoe!
Daarom heeft God ons twee wapenen gegeven. Wapenen, waar God Zich voor gewonnen geeft. Het ene past precies bij onze gesteldheid als hulpelozen. Dat wapen is: Het geschrei tot God uit de nood des harten. Waar dat weerklinkt : al ware hij aan het uiterste einde der wereld, daar kan God Zich niet meer verbergen of ontoegankelijk houden.
En het andere is geheel onafhankelijk van onze wisselende toestanden: Dat is Zijn Woord, waaraan zich het geloof vastklemt, als het niets meer gevoelt. Als een onmachtig mensenkind God bij Zijn Woord bepaalt, dan kan de Heere dit niet weerstaan; daar geeft Hij Zich gewonnen. Dan laat Hij Zich niet slechts vasthouden, maar buigt Hij Zich neer om te zegenen!
Deze beide wapenen tezamen veranderen iedere nood in zegen.
En als Gods aangezicht zo duister wordt, dat wij Zijn goedheid niet meer zien, hebben we Zijn Woord, dat we horen.
Als de strijd zo hevig wordt, dat we geen toespraak meer kunnen horen, dan hebben wij het sacrament, dat we smaken.
Als Zijn slagen zo sterk worden, dat wij niet meer voelen, dan hebben we Zijn kruis, dat we omklemmen mogen. Zijn handen zijn daaraan uitgebreid, om te zegenen.
Daarom durven wij Hem vasthouden: "Ik laat U niet gaan, tenzij Gij mij zegent".
Verzoend met God te zijn, dat is vreugde. Verheugt u, gij rechtvaardigen en zingt vrolijk, gij oprechten van hart!
Genade zij u en vrede van God onzen Vader en den Heere Jezus Christus!
Amen.