Job


1  2  3  4  5  6  7  8  9  10  11  12  13  14  15  16  17  18  19  20  21  22  23  24  25  26  27  28  29  30  31  32  33  34  35  36  37  38  39  40  41  42

Job 1

  1. is haya beres-us iyyob semo wehaya hais hahu tam weyasar wire elohim wesar mera:
    Een man was in het land Us Job zijn naam en was de man die integer/onberispelijk en recht(schapen) en vrezend God en wijkend van kwaad
    Er was een man in het land Uz, zijn naam was Job. En die man was vroom en oprecht; hij was godvrezend en keerde zich af van het kwaad [Job 2 : 3].
    There was a man in the land of Uz, whose name was Job; and that man was perfect and upright, and one that feared God, and eschewed evil.
    Il y avait dans le pays d`Uts un homme qui s`appelait Job. Et cet homme était intègre et droit; il craignait Dieu, et se détournait du mal.
    Es war ein Mann im Lande Uz, der hieß Hiob. Derselbe war schlecht und recht, gottesfürchtig und mied das Böse.
    Vir erat in terra Hus, nomine Job: et erat vir ille simplex, et rectus, ac timens Deum, et recedens a malo.

  2. wayyiwwaledu lo siba banim wesalos banot:
    En werden geboren aan hem zeven zonen en drie dochters.
    Er werden zeven zonen en drie dochters bij hem geboren.
    And there were born unto him seven sons and three daughters.
    Il lui naquit sept fils et trois filles.
    Und zeugte sieben Söhne und drei Töchter;
    Natique sunt ei septem filii, et tres filiæ.

  3. wayehi miqnehu sibat alpe-so'n useloset alpe gemallim wahames meot semed-baqar wahames me'ot atonot wa'abudda raba meod wayehi ha'is hahu gadol mikkol--bene-qedem:
    En was zijn (vee)bezit zeven duizend kleinvee en drieduizend kamelen en vijfhonderd span runderen/grootvee en vijfhonderd ezelinnen en zeer veel dienstvolk de man die groot meer dan alle kinderen van het Oosten.
    Aan vee bezat hij zevenduizend schapen, drieduizend kamelen, vijfhonderd juk runderen en vijfhonderd ezelinnen. Verder had hij een zeer groot aantal slaven, zodat deze man aanzienlijker was dan alle mensen van het oosten.
    His substance also was seven thousand sheep, and three thousand camels, and five hundred yoke of oxen, and five hundred she asses, and a very great household; so that this man was the greatest of all the men of the east.
    Il possédait sept mille brebis, trois mille chameaux, cinq cents paires de boeufs, cinq cents ânesses, et un très grand nombre de serviteurs. Et cet homme était le plus considérable de tous les fils de l`Orient.
    und seines Viehs waren siebentausend Schafe, dreitausend Kamele, fünfhundert Joch Rinder und fünfhundert Eselinnen, und er hatte viel Gesinde; und er war herrlicher denn alle, die gegen Morgen wohnten.
    Et fuit possessio ejus septem millia ovium, et tria millia camelorum, quingenta quoque juga boum, et quingentæ asinæ, ac familia multa nimis: eratque vir ille magnus inter omnes orientales.

  4. -----
  5. wehaleku banayw we'asu misteh bet is yomo wesalhu weqaru lisloset ahyotehem le'ekol welistot immahem:
    En gingen zijn zonen en maakten een feestmaaltijd (in) het huis van ieder (op) zijn dag en zij zonden en nodigden drie hun zuusters om te eten en te drinken bij hen.
    Zijn zonen waren gewoon om een maaltijd aan te richten, ieder op zijn beurt [op zijn dag] in eigen huis. Zij stuurden dan boden en nodigden hun drie zusters uit om met hen te eten en te drinken.
    And his sons went and feasted in their houses, every one his day; and sent and called for their three sisters to eat and to drink with them.
    Ses fils allaient les uns chez les autres et donnaient tour à tour un festin, et ils invitaient leurs trois soeurs à manger et à boire avec eux.
    Und seine Söhne gingen und machten ein Mahl, ein jeglicher in seinem Hause auf seinen Tag, und sandten hin und luden ihre drei Schwestern, mit ihnen zu essen und zu trinken.

  6. wayehi ki hippiqu yeme hammisteh wayislah iyyob wayeqaddesem wehiskim babboqer wehe'ela olot mispar kullam ki amar iyyob ulay hatu banay uberaku elohim bilbabam kaka ya'aseh iyyob kol-hayyamim:
    En het was wanneer rond waren dagen van de feestmaaltijd en zond Job en heiligde hen een hij stond vroeg op in de ochtend en offerde brandoffers (naar) getal van hen allen want zei Job misschien zondigden mijn zonen en vervloekten/zeiden vaarwel God in hun hart zo deed Job al de dagen.
    Het gebeurde dan, als de dagen van de maaltijden voorbij waren, dat Job hen bij zich riep en hen heiligde. Hij stond 's morgens vroeg op en bracht brandoffers, voor ieder van hen één, [het getal van hen allen] want Job zei: Misschien hebben mijn kinderen gezondigd en God in hun hart vaarwel gezegd [gezegend, zie ook: 1 : 11, 2 : 5 en 9]. Zo deed Job alle dagen.
    And it was so, when the days of their feasting were gone about, that Job sent and sanctified them, and rose up early in the morning, and offered burnt offerings according to the number of them all: for Job said, It may be that my sons have sinned, and cursed God in their hearts. Thus did Job continually.
    Et quand les jours de festin étaient passés, Job appelait et sanctifiait ses fils, puis il se levait de bon matin et offrait pour chacun d`eux un holocauste; car Job disait: Peut-être mes fils ont-ils péché et ont-ils offensé Dieu dans leur coeur. C`est ainsi que Job avait coutume d`agir.
    Und wenn die Tage des Mahls um waren, sandte Hiob hin und heiligte sie und machte sich des Morgens früh auf und opferte Brandopfer nach ihrer aller Zahl; denn Hiob gedachte: Meine Söhne möchten gesündigt und Gott abgesagt haben in ihrem Herzen. Also tat Hiob allezeit.

  7. wayehi hayyom wayyabo'u bene ha'elohim lehityasseb al-yhwh wayyabo gam-hassatan betokam:
    En was de dag en kwamen de zonen van God om zich te stellen voor de HERE en kwam ook de satan in hun midden.
    Het gebeurde op een dag, dat de zonen van God kwamen om hun opwachting te maken bij de HEERE, dat ook de satan in hun midden kwam.
    Now there was a day when the sons of God came to present themselves before the LORD, and Satan came also among them.
    Or, les fils de Dieu vinrent un jour se présenter devant l`Éternel, et Satan vint aussi au milieu d`eux.
    Es begab sich aber auf einen Tag, da die Kinder Gottes kamen und vor den HERRN traten, kam der Satan auch unter ihnen.

  8. wayyomer yhwh el-hassatan me'ayin tabo wayya'an hassatan et-yhwh wayo'mar missut ba'ares umehithallek bah:
    En zei de HERE tot de satan vanwaar jij komt? En antwoordde de satan de HERE en zei van rondgaan op de aarde en van doorlopen haar.
    Toen zei de HEERE tegen de satan: Waar komt u vandaan? En de satan antwoordde de HEERE en zei: Van het rondtrekken over de [1 Petrus 5 : 8] aarde en van het rondwandelen erover.
    And the LORD said unto Satan, Whence comest thou? Then Satan answered the LORD, and said, From going to and fro in the earth, and from walking up and down in it.
    L`Éternel dit à Satan: D`où viens-tu? Et Satan répondit à l`Éternel: De parcourir la terre et de m`y promener.
    Der HERR aber sprach zu dem Satan: Wo kommst du her? Satan antwortete dem HERRN und sprach: Ich habe das Land umher durchzogen.

  9. wayyomer yhwh el-hassatan hasamta libbeka al-abdi iyyob ki en kamohu ba'ares is tam weyasar yere elohim wesar mera:
    En zei de HERE tot de satan heb jij gesteld jouw hart op mijn dienaar Job? Want er is niemand zoals hij op de aarde integer/onberispelijk een recht(schapen) en vrezend God en wijkend van het kwaad.
    De HEERE zei tegen de satan: Hebt u ook acht geslagen op Mijn dienaar Job? Want er is niemand op de aarde zoals hij, een vroom en oprecht man, hij is godvrezend en keert zich af van het kwaad.
    And the LORD said unto Satan, Hast thou considered my servant Job, that there is none like him in the earth, a perfect and an upright man, one that feareth God, and escheweth evil?
    L`Éternel dit à Satan: As-tu remarqué mon serviteur Job? Il n`y a personne comme lui sur la terre; c`est un homme intègre et droit, craignant Dieu, et se détournant du mal.
    Der HERR sprach zu Satan: Hast du nicht achtgehabt auf meinen Knecht Hiob? Denn es ist seinesgleichen nicht im Lande, schlecht und recht, gottesfürchtig und meidet das Böse.

  10. wayya'an hassatan et-yhwh wayyomar hahinnam yare iyyob elohim:
    En antwoordde de satan de HERE en zei om niet vrezende Job God?
    Toen antwoordde de satan de HEERE en zei: Is het zonder reden dat Job God vreest?
    Then Satan answered the LORD, and said, Doth Job fear God for nought?
    Et Satan répondit à l`Éternel: Est-ce d`une manière désintéressée que Job craint Dieu?
    Der Satan antwortete dem HERRN und sprach: Meinst du, daß Hiob umsonst Gott fürchtet?

  11. halo-atta sakta ba'ado ube'ad-beto ubead kol-aser-lo missabib ma'aseh yadayw berakta umiqnehu paras ba'ares:
    Niet U omheinde achter hem en achter/voor zijn huis en achter alles wat hij heeft rondom werk van zijn handen U zegende en zijn veebezit zwermde uit in het land.
    Hebt Ú niet voor hem en voor zijn huis en alles wat hij heeft, een beschutting gemaakt? Het werk van zijn handen hebt U gezegend en zijn vee breidt zich steeds verder uit in het land.
    Hast not thou made an hedge about him, and about his house, and about all that he hath on every side? thou hast blessed the work of his hands, and his substance is increased in the land.
    Ne l`as-tu pas protégé, lui, sa maison, et tout ce qui est à lui? Tu as béni l`oeuvre de ses mains, et ses troupeaux couvrent le pays.
    Hast du doch ihn, sein Haus und alles, was er hat, ringsumher verwahrt. Du hast das Werk seiner Hände gesegnet, und sein Gut hat sich ausgebreitet im Lande.

  12. we'ulam selah-na yadeka wega bekol-aser-lo im-lo al-paneka yebarakekka:
    Maar daar tegenover strek toch uit uw hand en tref alles wat hij heeft of niet voor uw aangezicht hij U zal vervloeken/vaarwel zeggen.
    Maar steek toch Uw hand uit en tref alles wat hij heeft. Voorwaar, hij zal U in Uw aangezicht vaarwel zeggen.
    But put forth thine hand now, and touch all that he hath, and he will curse thee to thy face.
    Aber recke deine Hand aus und taste an alles, was er hat: was gilt's, er wird dir ins Angesicht absagen?

  13. wayyomer
    En zei de HERE tot de satan
    De HEERE zei tegen de satan: Zie, alles wat hij heeft, is in uw hand; alleen naar hemzelf mag u uw hand niet uitsteken. En de satan ging weg van het aangezicht van de HEERE.
    And the LORD said unto Satan, Behold, all that he hath is in thy power; only upon himself put not forth thine hand. So Satan went forth from the presence of the LORD.
    Der HERR sprach zum Satan: Siehe, alles, was er hat, sei in deiner Hand; nur an ihn selbst lege deine Hand nicht. Da ging der Satan aus von dem HERRN.

  14. Er was nu een dag, toen zijn zonen en zijn dochters aten en wijn dronken in het huis van hun broer, de eerstgeborene,
    And there was a day when his sons and his daughters were eating and drinking wine in their eldest brother's house:
    Des Tages aber, da seine Söhne und Töchter aßen und Wein tranken in ihres Bruders Hause, des Erstgeborenen,

  15. dat er een bode bij Job kwam en zei: De runderen waren aan het ploegen en de ezelinnen naast hen aan het weiden.
    And there came a messenger unto Job, and said, The oxen were plowing, and the asses feeding beside them:
    kam ein Bote zu Hiob und sprach: Die Rinder pflügten, und die Eselinnen gingen neben ihnen auf der Weide,

  16. Toen deden Sabeeërs een inval en namen ze mee, en ze sloegen de knechten met de scherpte van het zwaard; en ík ben maar als enige ontkomen om het u te vertellen.
    And the Sabeans fell upon them, and took them away; yea, they have slain the servants with the edge of the sword; and I only am escaped alone to tell thee.
    da fielen die aus Saba herein und nahmen sie und schlugen die Knechte mit der Schärfe des Schwerts; und ich bin allein entronnen, daß ich dir's ansagte.

  17. Terwijl deze nog sprak, kwam er een ander en zei: Het vuur van God viel neer uit de hemel en ontbrandde tegen de schapen en de knechten, en verteerde ze; en ík ben maar als enige ontkomen om het u te vertellen.
    While he was yet speaking, there came also another, and said, The fire of God is fallen from heaven, and hath burned up the sheep, and the servants, and consumed them; and I only am escaped alone to tell thee.
    Da er noch redete, kam ein anderer und sprach: Das Feuer Gottes fiel vom Himmel und verbrannte Schafe und Knechte und verzehrte sie; und ich bin allein entronnen, daß ich dir's ansagte.

  18. Terwijl deze nog sprak, kwam er weer een ander en zei: De Chaldeeën stelden drie groepen op en pleegden een overval op de kamelen en namen ze mee, en sloegen de knechten met de scherpte van het zwaard; en ík ben maar als enige ontkomen om het u te vertellen.
    Da der noch redete, kam einer und sprach: Die Chaldäer machte drei Rotten und überfielen die Kamele und nahmen sie und schlugen die Knechte mit der Schärfe des Schwerts; und ich bin allein entronnen, daß ich dir's ansagte.

  19. Terwijl deze nog sprak, kwam er nog weer een ander en zei: Uw zonen en uw dochters waren aan het eten en wijn drinken in het huis van hun broer, de eerstgeborene.
    Da der noch redete, kam einer und sprach: Deine Söhne und Töchter aßen und tranken im Hause ihres Bruders, des Erstgeborenen,

  20. En zie, een hevige stormwind kwam van over de woestijn en trof de vier hoeken van het huis, en het viel boven op de jonge mensen, zodat zij stierven; en ík ben maar als enige ontkomen om het u te vertellen.
    Und siehe, da kam ein großer Wind von der Wüste her und stieß auf die vier Ecken des Hauses und warf's auf die jungen Leute, daß sie starben; und ich bin allein entronnen, daß ich dir's ansagte.

  21. Toen stond Job op en scheurde zijn bovenkleed, schoor zijn hoofd, viel op de aarde en boog zich neer.
    Da stand Hiob auf und zerriß seine Kleider und raufte sein Haupt und fiel auf die Erde und betete an

  22. En hij zei: Naakt ben ik uit de buik van mijn moeder gekomen en naakt zal ik daarheen terugkeren. De HEERE heeft gegeven en de HEERE heeft genomen; de Naam van de HEERE zij geloofd!
    und sprach: Ich bin nackt von meiner Mutter Leibe gekommen, nackt werde ich wieder dahinfahren. Der HERR hat's gegeben, der HERR hat's genommen; der Name des HERRN sei gelobt.

  23. In dit alles zondigde Job niet en schreef hij God niets ongerijmds toe.
    In diesem allem sündigte Hiob nicht und tat nichts Törichtes wider Gott.


1  2  3  4  5  6  7  8  9  10  11  12  13  14  15  16  17  18  19  20  21  22  23  24  25  26  27  28  29  30  31  32  33  34  35  36  37  38  39  40  41  42

Job 2

  1. Opnieuw was er een dag, toen de zonen van God kwamen om hun opwachting te maken bij de HEERE, dat ook de satan in hun midden kwam om zijn opwachting te maken bij de HEERE.

  2. Toen zei de HEERE tegen de satan: Waar komt u vandaan? En de satan antwoordde de HEERE en zei: Van het rondtrekken over de aarde en van het rondwandelen erover.

  3. De HEERE zei tegen de satan: Hebt u ook acht geslagen op Mijn dienaar Job? Want er is niemand op de aarde zoals hij, een vroom en oprecht man, hij is godvrezend en keert zich af van het kwaad. Hij houdt nog steeds vast aan zijn vroomheid, hoewel u Mij tegen hem opgezet hebt om hem zonder reden te verslinden.

  4. Toen antwoordde de satan de HEERE en zei: Huid voor huid! Alles wat iemand heeft, zal hij geven voor zijn leven.

  5. Steek Uw hand maar eens uit en tref zijn beenderen en zijn vlees. Voorwaar, hij zal U in Uw aangezicht vaarwel zeggen.







1  2  3  4  5  6  7  8  9  10  11  12  13  14  15  16  17  18  19  20  21  22  23  24  25  26  27  28  29  30  31  32  33  34  35  36  37  38  39  40  41  42

Job 3

  1. 3


1  2  3  4  5  6  7  8  9  10  11  12  13  14  15  16  17  18  19  20  21  22  23  24  25  26  27  28  29  30  31  32  33  34  35  36  37  38  39  40  41  42

Job 4

  1. 4


1  2  3  4  5  6  7  8  9  10  11  12  13  14  15  16  17  18  19  20  21  22  23  24  25  26  27  28  29  30  31  32  33  34  35  36  37  38  39  40  41  42

Job 5

  1. 5


1  2  3  4  5  6  7  8  9  10  11  12  13  14  15  16  17  18  19  20  21  22  23  24  25  26  27  28  29  30  31  32  33  34  35  36  37  38  39  40  41  42

Job 6

  1. wayya'an iyyob wayyomar:
    En antwoordde Job en zei.

  2. lu saqol yissaqel kasi wehayyati bemo'zenayim yisu-yahad:
    Och wegende zal worden gewogen mijn verdriet en mijn ellende op een weegschal zal men samen opheffen.




1  2  3  4  5  6  7  8  9  10  11  12  13  14  15  16  17  18  19  20  21  22  23  24  25  26  27  28  29  30  31  32  33  34  35  36  37  38  39  40  41  42

Job 7

  1. halo-saba le'enos ale-ares wekime sakir yamayw:



1  2  3  4  5  6  7  8  9  10  11  12  13  14  15  16  17  18  19  20  21  22  23  24  25  26  27  28  29  30  31  32  33  34  35  36  37  38  39  40  41  42

Job 8

  1. wayya'an bildad hassuhi wayomar:



1  2  3  4  5  6  7  8  9  10  11  12  13  14  15  16  17  18  19  20  21  22  23  24  25  26  27  28  29  30  31  32  33  34  35  36  37  38  39  40  41  42

Job 9

  1. wayya'an iyyob wayyomar:



1  2  3  4  5  6  7  8  9  10  11  12  13  14  15  16  17  18  19  20  21  22  23  24  25  26  27  28  29  30  31  32  33  34  35  36  37  38  39  40  41  42

Job 10

  1. naqeta napsi behayyay e'ezba alay sihi adabbera bemar napsi:

  2. omar el-eloh al-tarsi'eni hodi'eni al mah-tteribeni:

  3. hatob leka ki-ta'asoq ki-tim'as yegi kappeka we'al-asat resa'im hopa'ta:



1  2  3  4  5  6  7  8  9  10  11  12  13  14  15  16  17  18  19  20  21  22  23  24  25  26  27  28  29  30  31  32  33  34  35  36  37  38  39  40  41  42

Job 11

  1. wayyan sopar hanna'amati wayyomar:



1  2  3  4  5  6  7  8  9  10  11  12  13  14  15  16  17  18  19  20  21  22  23  24  25  26  27  28  29  30  31  32  33  34  35  36  37  38  39  40  41  42

Job 12




1  2  3  4  5  6  7  8  9  10  11  12  13  14  15  16  17  18  19  20  21  22  23  24  25  26  27  28  29  30  31  32  33  34  35  36  37  38  39  40  41  42

Job 13




























  1. wehu keraqab


1  2  3  4  5  6  7  8  9  10  11  12  13  14  15  16  17  18  19  20  21  22  23  24  25  26  27  28  29  30  31  32  33  34  35  36  37  38  39  40  41  42

Job 14




1  2  3  4  5  6  7  8  9  10  11  12  13  14  15  16  17  18  19  20  21  22  23  24  25  26  27  28  29  30  31  32  33  34  35  36  37  38  39  40  41  42

Job 15




1  2  3  4  5  6  7  8  9  10  11  12  13  14  15  16  17  18  19  20  21  22  23  24  25  26  27  28  29  30  31  32  33  34  35  36  37  38  39  40  41  42

Job 16




1  2  3  4  5  6  7  8  9  10  11  12  13  14  15  16  17  18  19  20  21  22  23  24  25  26  27  28  29  30  31  32  33  34  35  36  37  38  39  40  41  42

Job 17
















  1. badde se'ol teradna im-yahad al-apar nahat:


1  2  3  4  5  6  7  8  9  10  11  12  13  14  15  16  17  18  19  20  21  22  23  24  25  26  27  28  29  30  31  32  33  34  35  36  37  38  39  40  41  42

Job 18




1  2  3  4  5  6  7  8  9  10  11  12  13  14  15  16  17  18  19  20  21  22  23  24  25  26  27  28  29  30  31  32  33  34  35  36  37  38  39  40  41  42

Job 19




1  2  3  4  5  6  7  8  9  10  11  12  13  14  15  16  17  18  19  20  21  22  23  24  25  26  27  28  29  30  31  32  33  34  35  36  37  38  39  40  41  42

Job 20




1  2  3  4  5  6  7  8  9  10  11  12  13  14  15  16  17  18  19  20  21  22  23  24  25  26  27  28  29  30  31  32  33  34  35  36  37  38  39  40  41  42

Job 21




1  2  3  4  5  6  7  8  9  10  11  12  13  14  15  16  17  18  19  20  21  22  23  24  25  26  27  28  29  30  31  32  33  34  35  36  37  38  39  40  41  42

Job 22




1  2  3  4  5  6  7  8  9  10  11  12  13  14  15  16  17  18  19  20  21  22  23  24  25  26  27  28  29  30  31  32  33  34  35  36  37  38  39  40  41  42

Job 23




1  2  3  4  5  6  7  8  9  10  11  12  13  14  15  16  17  18  19  20  21  22  23  24  25  26  27  28  29  30  31  32  33  34  35  36  37  38  39  40  41  42

Job 24




1  2  3  4  5  6  7  8  9  10  11  12  13  14  15  16  17  18  19  20  21  22  23  24  25  26  27  28  29  30  31  32  33  34  35  36  37  38  39  40  41  42

Job 25

  1. wayya'an bildad hassuhi wayyomar:
    En antwoordde Bildad de Suachiet en zei.

  2. hamesel wapahad immo oseh salom bimromayw:

  3. ha'yes mispar ligdudayw we'al-mi lo-yaqum orehu:

  4. umah-yyisdaq enos im-el umah-yyizkeh yelud 'issa:

  5. hen ad-yare'h welo ya'ahil wekokabim lo-zakku be'enayw:

  6. 'ap ki-'enos rimma uben-adam tole'a:


1  2  3  4  5  6  7  8  9  10  11  12  13  14  15  16  17  18  19  20  21  22  23  24  25  26  27  28  29  30  31  32  33  34  35  36  37  38  39  40  41  42

Job 26














  1. hen-elleh


1  2  3  4  5  6  7  8  9  10  11  12  13  14  15  16  17  18  19  20  21  22  23  24  25  26  27  28  29  30  31  32  33  34  35  36  37  38  39  40  41  42

Job 27

























1  2  3  4  5  6  7  8  9  10  11  12  13  14  15  16  17  18  19  20  21  22  23  24  25  26  27  28  29  30  31  32  33  34  35  36  37  38  39  40  41  42

Job 28




1  2  3  4  5  6  7  8  9  10  11  12  13  14  15  16  17  18  19  20  21  22  23  24  25  26  27  28  29  30  31  32  33  34  35  36  37  38  39  40  41  42

Job 29




1  2  3  4  5  6  7  8  9  10  11  12  13  14  15  16  17  18  19  20  21  22  23  24  25  26  27  28  29  30  31  32  33  34  35  36  37  38  39  40  41  42

Job 30




1  2  3  4  5  6  7  8  9  10  11  12  13  14  15  16  17  18  19  20  21  22  23  24  25  26  27  28  29  30  31  32  33  34  35  36  37  38  39  40  41  42

Job 31




1  2  3  4  5  6  7  8  9  10  11  12  13  14  15  16  17  18  19  20  21  22  23  24  25  26  27  28  29  30  31  32  33  34  35  36  37  38  39  40  41  42

Job 32




1  2  3  4  5  6  7  8  9  10  11  12  13  14  15  16  17  18  19  20  21  22  23  24  25  26  27  28  29  30  31  32  33  34  35  36  37  38  39  40  41  42

Job 33




1  2  3  4  5  6  7  8  9  10  11  12  13  14  15  16  17  18  19  20  21  22  23  24  25  26  27  28  29  30  31  32  33  34  35  36  37  38  39  40  41  42

Job 34




1  2  3  4  5  6  7  8  9  10  11  12  13  14  15  16  17  18  19  20  21  22  23  24  25  26  27  28  29  30  31  32  33  34  35  36  37  38  39  40  41  42

Job 35




1  2  3  4  5  6  7  8  9  10  11  12  13  14  15  16  17  18  19  20  21  22  23  24  25  26  27  28  29  30  31  32  33  34  35  36  37  38  39  40  41  42

Job 36




1  2  3  4  5  6  7  8  9  10  11  12  13  14  15  16  17  18  19  20  21  22  23  24  25  26  27  28  29  30  31  32  33  34  35  36  37  38  39  40  41  42

Job 37




1  2  3  4  5  6  7  8  9  10  11  12  13  14  15  16  17  18  19  20  21  22  23  24  25  26  27  28  29  30  31  32  33  34  35  36  37  38  39  40  41  42

Job 38




1  2  3  4  5  6  7  8  9  10  11  12  13  14  15  16  17  18  19  20  21  22  23  24  25  26  27  28  29  30  31  32  33  34  35  36  37  38  39  40  41  42

Job 39




1  2  3  4  5  6  7  8  9  10  11  12  13  14  15  16  17  18  19  20  21  22  23  24  25  26  27  28  29  30  31  32  33  34  35  36  37  38  39  40  41  42

Job 40




1  2  3  4  5  6  7  8  9  10  11  12  13  14  15  16  17  18  19  20  21  22  23  24  25  26  27  28  29  30  31  32  33  34  35  36  37  38  39  40  41  42

Job 41




1  2  3  4  5  6  7  8  9  10  11  12  13  14  15  16  17  18  19  20  21  22  23  24  25  26  27  28  29  30  31  32  33  34  35  36  37  38  39  40  41  42

Job 42

  1. wayya'an iyyob et-yhwh wayyomar:
    En antwoordde Job de HERE en zei:

  2. Ik weet dat alles U kunt en niet is onuitvoerbaar voor U een plan/doel.














  3. wayehi iyyob ahare-zo't me'a we'arba'im sana wayyire et-banayw we'et-bene baayw arba'a dorot:
    En werd Job hierna honderd en veertig jaar en hij zag zijn kinderen en de kinderen van zijn kinderen vier generaties.
    Job leefde daarna nog honderdveertig jaar, en hij zag zijn kinderen en de kinderen van zijn kinderen, vier generaties.

  4. wayyamot iyyob zaqen useba yamin:
    En stierf Job oud en verzadigd van dagen.
    En Job stierf, oud en van dagen verzadigd.