Micha


1  2  3  4  5  6  7

Micha 1

  1. debar-yhwh aser haya el-mika hammorasti bime yotam ahaz yehizgiyya malke yehuda aser-haza al-someron wirusalaim:
    Het woord van de HERE dat kwam/was tot Micha de Morastiet in de dagen van Jotam Achaz en Hizkia koningen van Juda dat hij zag over Samaria en Jeruzalem.
    Het woord van de HEERE dat kwam tot Micha uit Moreset, in de dagen van Jotham, Achaz en Jehizkia, de koningen van Juda, en dat hij gezien heeft over Samaria en Jeruzalem.
    The word of the LORD that came to Micah the Morasthite in the days of Jotham, Ahaz, and Hezekiah, kings of Judah, which he saw concerning Samaria and Jerusalem.
    Verbum Domini, quod factum est ad Michaeam Morasthiten, in diebus Joathan, Achaz, et Ezechiae, regum Juda, quod vidit super Samariam et Jerusalem.

  2. sim'u 'ammim kullam haqsibi eres umelo'ah wihi adonay yhwh bakem le'ed adonay mehekal qodso:
    Hoort volken zij allen luister (aandachtig) aarde en haar volheid en laat/zal zijn de Here HERE tegen jullie tot Getuige de Here uit de tempel van zijn heiligheid.
    Luister, volken, allemaal! Sla er acht op, aarde, met al wat u bevat! En laat de Heere HEERE Getuige tegen u zijn, de Heere, uit Zijn heilige tempel.
    Hear, all ye people; hearken, O earth, and all that therein is: and let the Lord GOD be witness against you, the Lord from his holy temple.
    Écoutez, vous, tous les peuples ; sois attentive, terre, et tout ce qui est en toi ; et que le Seigneur, l’Éternel, soit témoin contre vous, le Seigneur, du palais de sa sainteté!
    Hört, alle Völker! merke auf, Land, und alles, was darinnen ist! denn Gott der HERR hat mit euch zu reden, ja, der HERR aus seinem heiligen Tempel.
    Audite, populi omnes, et attendat terra, et plenitudo ejus: et sit Dominus Deus vobis in testem, Dominus de templo sancto suo.

  3. ki-hinneh yhwh yose mimmeqomo weyarad wedarak al-bomowte ares:
    Want zie de HERE uitgaande uit zijn plaats en Hij daalt af en treedt op hoogten van aarde.
    Want zie, de HEERE komt uit Zijn woonplaats, Hij daalt af en treedt op de hoogten van de aarde.
    For, behold, the LORD cometh forth out of his place, and will come down, and tread upon the high places of the earth.
    Car voici, l’Éternel sort de son lieu, et descendra, et marchera sur les lieux hauts de la terre;
    Denn siehe, der HERR wird ausgehen aus seinem Ort und herabfahren und treten auf die Höhen im Lande,
    Quia ecce Dominus egredietur de loco suo, et descendet, et calcabit super excelsa terrae.

  4. wenamassu heharim tahtayw weha'amaqim yitbaqqa'u kaddonag mippene ha'es kemayim muggarim bemorad:
    En zullen smelten de bergen onder Hem en de valleien zullen splijten als de was voor het vuur als water neervloiend langs afdaling.
    De bergen smelten onder Hem weg, de dalen splijten als was voor het vuur, als water dat langs een helling vloeit.
    And the mountains shall be molten under him, and the valleys shall be cleft, as wax before the fire, and as the waters that are poured down a steep place.
    et les montagnes se fondront sous lui, et les vallées s’entr’ouvriront, comme la cire devant le feu, comme des eaux versées sur une pente.
    daß die Berge unter ihm schmelzen und die Täler reißend werden, gleichwie Wachs vor dem Feuer zerschmilzt, wie die Wasser, so niederwärts fließen.
    Et consumentur montes subtus eum, et valles scindentur sicut cera a facie ignis, et sicut aquae quae decurrunt in praeceps.

  5. bepesa ya'akob kol-zo't ubehatto'wt bet yisra'el mi-pesa ya'aqob halo someron umi bamot yehuda halo yerusalaim:
    Vanwege de overtreding van Jakob dit alles en vanwege de zonden van het huis van Israël wie (is) de overtreding van Jakob? Niet (is het) Samaria? En wie (zijn) de hoogten van Juda? Niet (is het) Jeruzalem?
    Dit alles is om de overtreding van Jakob en om de zonden van het huis van Israël. Wat is de overtreding van Jakob? Is het niet Samaria? En wat zijn de offerhoogten van Juda? Is het niet Jeruzalem?
    For the transgression of Jacob is all this, and for the sins of the house of Israel. What is the transgression of Jacob? is it not Samaria? and what are the high places of Judah? are they not Jerusalem?
    Tout cela, à cause de la transgression de Jacob et à cause des péchés de la maison d’Israël ! [De] qui est la transgression de Jacob ? N’est-ce pas [de] Samarie ? Et [de] qui, les hauts lieux de Juda ? N’est-ce pas [de] Jérusalem?
    In scelere Jacob omne istud, et in peccatis domus Israel. Quod scelus Jacob? nonne Samaria? et quae excelsa Judae? nonne Jerusalem?

  6. wesamti someron le'i hassadeh lematta'e karem wehiggarti laggay abaneha wisodeha agalleh:
    En/daarom ik stel Samaria tot puinhoop van het veld tot plantingen/plantingplaatsen van wijngaard en Ik stort neer naar het dal haar stenen en haar fundamenten Ik z al ontdekken/ontbloten.
    Daarom maak Ik van Samaria een puinhoop in het veld, een plek voor het planten van een wijngaard. Ik stort haar stenen in het dal, en haar fundamenten leg Ik bloot.
    Therefore I will make Samaria as an heap of the field, and as plantings of a vineyard: and I will pour down the stones thereof into the valley, and I will discover the foundations thereof.
    Et je ferai de Samarie un monceau dans les champs, des plantations de vigne ; et je ferai rouler ses pierres dans la vallée, et je découvrirai ses fondements.
    Et ponam Samariam quasi acervum lapidum in agro, cum plantatur vinea; et detraham in vallem lapides ejus, et fundamenta ejus revelabo.

  7. wekol-pesileha yukkattu wekol-'etnanneha yissarepu ba'es wekol-asabbeha asim semama ki me'etnan zona qibbasa we'ad-etnan zona yasubu:
    En al haar gesneden beelden zullen worden verbrijzeld en al haar (hoeren)lonen zullen worden vewrbrand in/met het vuur en al haar afgodenbeelden Ik zal stellen (tot) woestenij want van/met loon van hoer zij bracht bijeen en tot loon van hoer zij zullen terugkeren.
    En al haar beelden worden verbrijzeld, en al haar hoerenloon wordt met vuur verbrand, van al haar afgoden maak Ik een woestenij, want met hoerenloon heeft zij ze bijeengebracht en tot hoerenloon keren ze terug.
    And all the graven images thereof shall be beaten to pieces, and all the hires thereof shall be burned with the fire, and all the idols thereof will I lay desolate: for she gathered it of the hire of an harlot, and they shall return to the hire of an harlot.
    Et toutes ses images taillées seront mises en pièces; et tous ses présents [de prostitution] seront brûlés au feu; et je mettrai en désolation toutes ses idoles; car c’est avec un présent de prostituée qu’elle les a rassemblées, et elles redeviendront un présent de prostituée.
    Et omnia sculptilia ejus concidentur, et omnes mercedes ejus comburentur igne, et omnia idola ejus ponam in perditionem, quia de mercedibus meretricis congregata sunt, et usque ad mercedem meretricis revertentur.

  8. al-zo't 'espeda we'elila eleka solal we'arom e'eseh misped kattannim we'ebel kibnot ya'ana:
    Hierover ik zal rouw bedrijven en ik zal weeklagen ik zal gaan afgestroopt en naakt ik zal bedrijven rouw als de jakhals en getreur als dochters van struisvogel,
    Hierover zal ik rouw bedrijven en weeklagen, zal ik berooid en naakt mijn weg gaan, zal ik huilen als de jakhalzen, en klaaglijk roepen als de struisvogels.
    Therefore I will wail and howl, I will go stripped and naked: I will make a wailing like the dragons, and mourning as the owls.
    À cause de cela je me frapperai [la poitrine], et je hurlerai ; j’irai dépouillé* et nu; je ferai une lamentation comme les chacals, et des cris de deuil comme les autruches.
    Super hoc plangam, et ululabo; vadam spoliatus, et nudus; faciam planctum velut draconum, et luctum quasi struthionum:

  9. ki anusa makkoteha ki-ba'a ad-yehuda naga ad-sa'ar ammi ad-yerusalaim:
    Want ondraaglijk/ongeneeslijk haar slagen want komende tot Juda het reikt tot de poort van mijn volk tot Jeruzalem.
    Want zijn wond is ongeneeslijk, want zij reikt tot aan Juda, zij raakt tot aan de poort van mijn volk, tot aan Jeruzalem!
    For her wound is incurable; for it is come unto Judah; he is come unto the gate of my people, even to Jerusalem.
    quia desperata est plaga ejus, quia venit usque ad Judam; tetigit portam populi mei usque ad Jerusalem.

  10. begat al-taggidu bako al-tibku bebet le'apra apar hitpallasity:
    In Gat jullie zullen niet bekendmaken/meedelen huilende jullie zullen niet huilen in Beth le-Afra stof ik rolde mezelf (daarin).
    Maak het niet bekend in Gath, ween niet zo jammerlijk, wentel u in het stof in Beth-le-Afra.
    Declare ye it not at Gath, weep ye not at all: in the house of Aphrah roll thyself in the dust.
    In Geth nolite annuntiare; lacrimis ne ploretis; in domo pulveris pulvere vos conspergite.

  11. ibri lakem yosebet sapir erya-boset lo yas'a yosebet sa'anan mispad bet ha'esel yiqqah mikkem emdato:
    Ga voorbij aan/voor jullie bewoonster van Safir naakt-schande niet zij gaat uit bewoonster van Zaänan getreur Beth-Haëzel Hij neemt weg van jullie zijn standplaats/steun.
    Trek voorbij, bewoonster van Safir, in schandelijke naaktheid. De bewoonster van Zaänan gaat niet naar buiten, rouw is in Beth-Haëzel; Hij neemt Zijn steun van u weg.
    Pass ye away, thou inhabitant of Saphir, having thy shame naked: the inhabitant of Zaanan came not forth in the mourning of Beth-ezel; he shall receive of you his standing.
    Et transite vobis, habitatio pulchra, confusa ignominia: non est egressa quae habitat in exitu: planctum domus vicina accipiet ex vobis, quae stetit sibimet.

  12. ki-hala letob yosebet marot ki-yarad ra me'et yhwh lesa'ar yerusalaïm:
    Want is ziek voor (het) goed(e) de bewoonster van Marot want daalde neer/af kwaad van bij de HERE tot/naar de poort van Jeruzalem.
    Ja, de bewoonster van Maroth is ziek vanwege het goede, want kwaad is afgedaald van de HEERE tot aan de poort van Jeruzalem.
    For the inhabitant of Maroth waited carefully for good: but evil came down from the LORD unto the gate of Jerusalem.
    Quia infirmata est in bonum, quae habitat in amaritudinibus; quia descendit malum a Domino in portam Jerusalem.

  13. retom hammerkaba larekes yosebet lakis re'sit hatta't hi lebat-siyyon ki-bak nimse'u pis'e yisra'el:
    Span in de wagen
    Span de snelle paarden voor de wagen, bewoonster van Lachis. Die is het begin van de zonde voor de dochter van Sion, want in u zijn de overtredingen van Israël gevonden.
    O thou inhabitant of Lachish, bind the chariot to the swift beast: she is the beginning of the sin to the daughter of Zion: for the transgressions of Israel were found in thee.
    Tumultus quadrigae stuporis habitanti Lachis: principium peccati est filiae Sion, quia in te inventa sunt scelera Israel.

  14. laken
    Daarom
    Geef daarom afscheidsgeschenken aan Moreset-Gath. De huizen van Achzib blijken onbetrouwbaar voor de koningen van Israël.
    Therefore shalt thou give presents to Moresheth-gath: the houses of Achzib shall be a lie to the kings of Israel.
    Propterea dabit emissarios super haereditatem Geth, domus mendacii in deceptionem regibus Israel.

  15. od
    Nog/weer
    Opnieuw breng ik een bezetter over u, bewoonster van Maresa. Hij zal komen tot aan Adullam, de luister van Israël.
    Yet will I bring an heir unto thee, O inhabitant of Mareshah: he shall come unto Adullam the glory of Israel.
    Adhuc haeredem adducam tibi quae habitas in Maresa; usque ad Odollam veniet gloria Israel.

  16. qarhi
    Maak kaal
    Scheer uw haar af, ja, scheer u kaal vanwege uw kinderen, die u lief zijn; maak u zo kaal als een gier, want zij zijn bij u weggegaan in ballingschap.
    Make thee bald, and poll thee for thy delicate children; enlarge thy baldness as the eagle; for they are gone into captivity from thee.
    Decalvare, et tondere super filios deliciarum tuarum; dilata calvitium tuum sicut aquila, quoniam captivi ducti sunt ex te.


1  2  3  4  5  6  7

Micha 2

  1. hoy
    Wee
    Wee hun die onrecht uitdenken, kwaad uitwerken op hun slaapplaats, en het bij het licht van de morgenstond uitvoeren, omdat zij daartoe bij machte zijn.
    Woe to them that devise iniquity, and work evil upon their beds! when the morning is light, they practise it, because it is in the power of their hand.
    Vae qui cogitatis inutile, et operamini malum in cubilibus vestris! In luce matutina faciunt illud, quoniam contra Deum est manus eorum.

  2. wehamedu
    En zij begeren velden
    Zij begeren akkers en roven die, en huizen, en nemen die af. Zo onderdrukken zij de man en zijn huis, de mens en zijn erfelijk bezit.

  3. laken
    Daarom
    Daarom, zo zegt de HEERE, zie, Ik bedenk kwaad over dit geslacht waar u uw nekken niet uit weg kunt nemen en waardoor u niet rechtop verder kunt gaan, want het zal een * kwade tijd zijn.

  4. bayyom
    Op de dag die men zal aanheffen over/tegen jullie een spreuk en hij/men zal klagen een rouwkacht het zal worden hij/men zegt/zal zeggen verwoestende wij werden/ zijn verwoest deel van mijn volk hij/men verandert hoe hij/men neemt weg van mij voor afkerende/afvallige onze velden hij verdeelt.

  5. laken
    daarom

  6. al-tattipu
    Jullie zullen niet redeneren/profeteren

  7. he'amur
    Ik zal veranderen/gezegd

  8. we'etmul
    En gisteren/pas geleden

  9. nese
    Vrouwen van

  10. qumu
    Staat op

  11. lu-is
    Indien man/iemand

  12. 'asop
    Verzamelende

  13. ala
    Ging/trok op


1  2  3  4  5  6  7

Micha 3

  1. wa'omar
    En/Toen ik zei
    Toen zei ik: Luister toch, hoofden van Jakob en leiders van het huis van Israël, behoort u niet het recht te kennen?
    Et dixi: Audite, princeps Jacob, et duces domus Israel: numquid non vestrum est scire judicium,

  2. son'e
    Haters van

  3. wa'aser
    En die

  4. 'az
    Dan

  5. koh
    Zo

  6. laken
    Daarom

  7. ubosu
    En zullen zich schamen

  8. we'ulam
    En toch ik ik ben vol

  9. sim'u-na
    Hoort toch dit

  10. boneh
    Bouwende Sion

  11. ra'seha
    Haar hoofden

  12. laken
    Daarom


1  2  3  4  5  6  7

Micha 4

  1. wehaya
    En (het)
    Het zal echter in het laatste der dagen geschieden dat de berg van het huis van de HEERE vast zal staan als de hoogste van de bergen, en dat hij verheven zal worden boven de heuvels, en dat de volken er naar toe zullen stromen.

  2. wehaleku
    En zullen gaan
    Vele heidenvolken zullen op weg gaan en zeggen: Kom, laten wij opgaan naar de berg van de HEERE, naar het huis van de God van Jakob; dan zal Hij ons onderwijzen aangaande Zijn wegen, en zullen wij Zijn paden bewandelen. Want uit Sion zal de wet uitgaan en het woord van de HEERE uit Jeruzalem.

  3. wesapat
    En Hij zal oordelen/rechten

  4. weyasebu
    En zij zullen zitten

  5. ki
    Want

  6. bayyom
    Op de dag die uitspraak van/spreekt de HERE Ik zal verzamelen de mank zijnde en de verdrevene Ik zal bijeenbrengen edn wie Ik maakte (het) slecht.

  7. wesamti
    En ik zal stellen

  8. we'atta
    En u

  9. 'atta
    Nu waarom u zult uitroepen geroep? Een koning is er niet in/onder u? Indien/of uw raadgever kwam om want gereep u aan moeite/smart als de barende.

  10. hulli
    Kronkel

  11. we'atta
    En nu

  12. wehemma
    Maar zij

  13. qumi
    Sta op

  14. 'atta
    Nu


1  2  3  4  5  6  7

Micha 5

  1. we'atta bet-lehem eprata sa'ir lihyot be'alpe yehuda mimmeka li yese lihyot mosel beisra'el umosa'otayw miqqedem mime olam:
    En u Betlehem Efrata klein te zijn onder de duizenden van Juda uit u voor Mij zal uitgaan/voorkomen om te zijn heerser in Israël en zijn oorsprongen/uitgangen van vroeger sinds dagen van oudheid.
    En u, Bethlehem-Efratha, al bent u klein om te zijn onder de duizenden van Juda, uit u zal Mij voortkomen Die een Heerser zal zijn in Israël. Zijn oorsprongen zijn van oudsher, van eeuwige dagen af.

  2. laken
    Daarom

  3. we'amad
    En hij zal staan

  4. wehaya
    Emn zal zijn dit

  5. wera'u
    En/dan

  6. wehaya
    En zal zijn

  7. wehaya
    En zal zijn

  8. tarom
    Zal

  9. wehaya
    En zal zijn

  10. wehikratti
    En/dan ik zal afsnijden/uitroeien

  11. wehikratti
    En/dan ik zal afsnijden/uitroeien

  12. wehikratti
    En/dan ik zal afsnijden/uitroeien

  13. wenatasti
    En/dan

  14. we'asiti
    En ik zal uitvoeren/doen


1  2  3  4  5  6  7

Micha 6

  1. sim-u-na
    Hoort toch
    Luister toch naar wat de HEERE zegt: Sta op, roep de bergen ter verantwoording, laat de heuvels uw stem horen.

  2. sim'u
    Hoort

  3. 'ammi

  4. ki












  5. weyistammer

1  2  3  4  5  6  7

Micha 7

  1. 'alelay li ki hayiti ke'ospe-gayis ke'olelot basir en-eskol le-'ekol bikkura 'iwweta napsi:
    Wee want aan mij ik ben als inzamelingen van zomer(vruchten) als nalezingen/laatste (oogst)resten van wijnoogst er is geen tros om te eten vroege vijgen begeert mijn ziel/persoon/wezen.
    Wee mij, want het is mij vergaan als na de inzameling van de zomervruchten, als na de nalezing van de wijnoogst: er is geen tros om te eten. Mijn ziel verlangt naar vroege vijgen.

  2. 'abad
    Kwam om/Verging
    Een goedertieren mens is verdwenen uit het land en een oprechte onder de mensen is er niet. Zij loeren allen op bloed, zij jagen op elkaar met een net.

  3. 'al-hara
    Tot/over het kwaad/kwade

  4. tobam
    Hun goede/beste

  5. 'al-ta'aminu
    U zult niet geloven/gelooft niet

  6. ki-ben
    Want zoon

  7. wa'ani
    En/maar ik

  8. al-tismehi
    Wees niet blij

  9. za'ap
    De toorn van de HERE

  10. wetere
    En zal zien

  11. yom
    Dag

  12. yom
    Dag

  13. wehayeta
    En zal zijn

  14. re'eh
    Weid

  15. kime
    Als de dagen van

  16. yir'u
    Zullen zien

  17. yelahaku
    Zij zullen likken

  18. mi-'el
    Wie (is) God

  19. yasub
    Hij zal opnieuw/omkeren

  20. titten emet leya'aqob hesed le'abraham aser-nisba'ta la'abotenu mime qedem:
    U zult geven waarheid/trouw aan Jakob verbondsliefde/-trouw aan Abraham die/waarmee U hebt gezworen aan onze vaderen sinds dagen van vroeger.